De Nederlandstalige springplank voor wandelen, fietsen en klimmen in Schotland
- Laatste wijziging: 2 oktober 2011 -

The middle of nowhere, and beyond...

Door: Ernst Arbouw

 
 Je bent hier:  Home > Bergwandelen / Meerdaagse tochten > The middle of nowhere, and beyond...

De Schotse Highlands kun je het best in het voorjaar bezoeken, als de weergoden nog in winterslaap zijn, net als de midges. Rachel van der Kaaij en Ernst Arbouw wandelden zeven dagen door ‘The Great Wilderness’.


De Britse Ordnance Survey (nationale cartografische dienst) definieert 'The Middle of Nowhere' als het punt dat het verst verwijderd is van enige verharde weg. Het ligt volgens een berekening op de helling van Ruadh Stac Beag, tussen Leterewe Forest en Fisherfield Forest op coördinaten NH 02550 77010. De afstand tot de dichtstbijzijnde weg (A832) is ongeveer elf kilometer of te wel zeven mijl.

Zo’n honderdvijftig schapen staan ons een beetje raar aan te kijken als we over het roestige hek klauteren. ‘Schaapachtig’ is eigenlijk het juiste woord. Lammetjes, hun witte vacht geeft bijna licht in het ochtendzonnetje, verstoppen zich achter moeders rug. Terwijl we over het weiland steken, gaan de beesten telkens een paar stappen opzij om dan, voorzichtig kauwend, over hun schouder te kijken.

Northern Highlands rondom Ullapool
Northern Highlands rondom Ullapool
Bron: SAS Art Studio / NKBV

Het is voorjaar in Schotland. Bloeiende bremstruiken geven de hellingen een gouden gloed, ieder schaap heeft een lammetje dat als een soort satelliet om z’n moeder draait. De zon schijnt, de hemel is blauw en het water in Loch Broom is spiegelglad. Eigenlijk wilden we de zeearm met een veerbootje oversteken, maar dat gaat niet: de boot is een paar weken eerder uit de vaart genomen omdat hij niet meer voldeed aan veiligheidsvoorschriften. Iets met Brusselse regelgeving, vermoedt de beheerder van het Tourist Office. Nu zijn we gedwongen tot een taxirit en een extra wandeling. Dat is niet onaangenaam, blijkt al snel. De route voert over een uitgestrekt hoogvlakte met kleine stroompjes en lochs, waar een voorjaarsbriesje door onze haren waait.

Het stuk van Highlands waar we lopen heet 'The Great Wilderness' en is zelfs voor Schotse begrippen behoorlijk afgelegen. Het gebied wordt niet door wegen doorkruist, alleen aan de randen liggen een paar kleine dorpjes. Halverwege de route ligt een plek die met recht 'the middle of nowhere' mag heten: het meest afgelegen punt van Groot-Brittannië, ver verwijderd van wegen en dorpen.

Vervallen croftershuis in 'The Middle of nowhere'
Vervallen croftershuis in 'The Middle of nowhere'
(Foto: Ernst Arbouw ©)

’s Avond zetten we de tent in een berkenbosje vlak bij Dundonell. Ergens ver weg roept een buizerd. Ergens een heel stuk dichterbij roept een koekkoek.


Bothies zijn kleine schuilhutjes die her en der verspreid in de Highlands staan. De gebouwtjes zijn vaak eigendom van de landeigenaar, maar worden onderhouden door een aparte organisatie. De Mountain Bothies Association (MBA). In ruil voor het onderhoud kunnen wandelaars en klimmers er gratis gebruik maken van de hutjes.

De volgende ochtend vertrekken we richting Shenavall Bothy. Bij het begin van het wandelpad, langs de weg in Dundonell, staan een paar auto’s geparkeerd, modderige strepen op de flanken. Op het hek hangt een briefje: Dit weekend wordt gewerkt aan onderhoud van het hutje. Was getekend: de Mountain Bothies Association.
Mountain Bothies Association...

Bij Shenavall wordt inderdaad gewerkt. Een ladder staat tegen het gebouwtje en een meisje schildert het dak met een teerkwast. Vijf mannen houden zich ondertussen geconcentreerd bezig met het maken van een keteltje thee. Het zijn leden van de Inverness Moutaineering Club die dit gebouwtje vrijwillig onderhouden. Op die manier blijft het gratis ter beschikking aan wandelaar en klimmers.

Voorbij het hutje houdt het pad op. Twee rivieren en een moeras van ongeveer een kilometer breed versperren de weg. Aan de oever van de eerste rivier trekken we de wandelschoenen gaan uit en de sandalen aan. We soppen tot over onze enkel door de natte veenprut. Rachel doet een knappe evenwichtsact als ze onverwacht tot haar knieën wegzakt. Scheldend constateert ze dat haar schoenen, die ze in d’r hand hield, zijn volgelopen.

We kamperen op een perfect stukje gras, een driehoek van tien bij tien bij tien, omgeven door waterstroompjes. Naast onze tent stroomt de Abhain Gleann na Muice Beag, wat ik een behoorlijk lange naam vind voor een beek van nauwelijks een meter breed. Als we ’s avonds onze chili zitten te eten, komt een kudde herten onze kant op. Op nauwelijks twintig meter van onze tent grazen ze stilletjes tussen de heideplanten.

Op stap

Met één grote stap steek ik de volgende morgen de Abhain Gleann na Muice Beag over. Onze route gaat richting ‘The Middle of Nowhere’, het meest afgelegen punt van Groot-Brittannië. We hebben het aangetekend op de kaart, geprogrammeerd in de GPS en uiteindelijk lopen we eraan voorbij. Dichte mist ontneemt het zicht, langs het pad begint een uitgestrekt moeras. Op zich heeft het ook wel wat: 'Hoe was Schotland?' 'Het was zo mistig dat we The Middle of Nowhere niet konden zien...'

Het is de bedoeling om door te lopen naar Carnmore Bothy, een klein hutje aan de oevers van Dubh Loch en Fionn Loch. Vanaf de hellingen boven de bothy kijk je uit over de twee meren, die worden gescheiden door een gemetseld muurtje. Het hutje hoort bij een statig landhuis met dezelfde naam: Carnmore, wat volgens mij zoiets betekent als “grote stapel stenen”. In de tuin staat een dragline geparkeerd, maar er is nergens iemand te bekennen. Lijkt me nog een lastige klus trouwens, om hier met een dragline heen te rijden. De bothy is vies en vervallen. Er is niet veel discussie nodig: laat maar zitten.

Het valt nog niet mee om een droog kampeerplekje te vinden. De bodem is hier als een spons. Het lijkt droog, maar als je een stap naast het pad doet, sta je tot je enkels in het water. Na een tijdje hebben we het door: de lichtgroene stukjes met het vreemde kleurtje, zijn echt gras, op stevige ondergrond. Het trekt langzaam dicht als we op zo’n stukje, precies groot genoeg, onze tent opzetten. We maken curry van prei en kikkererwten in de mist en drinken chocolademelk met curry-smaak, ook in de mist.

Over de brug

De volgende ochtend eten we Brinta in de mist. Daarna drinken we uitgebreid koffie in de mist en rond een uur of tien hijsen we onze rugzakken op, nog steeds in de mist. Tijdens de afdaling vraag ik me af wat toch die rare geur is die overal hangt. Het zijn de bloeiende bremstruiken en ze ruiken naar, ja, naar wat eigenlijk? Naar kokosbrood. Het pad voert langs Loch Maree naar het zuiden. Afwisselend lopen we door het bos, langs het meer en over velden waar satellietlammetjes in een baan om hun moeder draaien. Laat in de middag sjokken we Kinlochewe binnen, het enige dorpje waar we op onze wandeling langskomen. We zetten onze rugzakken op de stoep van de pub, en dan gebeurt er iets onverwachts. Het café, met een jaren-over-z’n-glorietijd uitstraling, met vingerafdrukkige glazen, met groezelige gordijnen en een doorgerookt plafond, blijkt een belachelijk goede kok te hebben. We stoppen ons vol met curry en sticky toffee pudding.

In Kinlochewe zit het kleinste buitensportzaakje van Schotland. De eigenaar, Tom Forrest, heeft net een hartaanval gehad, kampt met zijn gehoor, maar staat wandelaars in zijn zaakje vriendelijk te hulp. Of hij ook benzine verkoopt, vragen we. Bij de plaatselijke benzinepomp mochten we onze brandstofflessen niet vullen. Sorry, governement regulations . Forrest wil ons best een fles Coleman-fuel verkopen. Hij schuifelt door zijn winkeltje en doet iets wat nog het meeste lijkt op vrolijk mopperen. Tsja, geeft hij toe, vierenhalve pond is inderdaad een beetje veel voor een halve liter benzine, en het is belachelijk dat je flessen niet meer aan de pomp mag vullen. Op een halve liter brandstof maakt hij een dubbeltje winst. ’ I think it’s not even our own governement that makes up these regulations. It’s the bastards in Brussels ‘, moppert hij.

Waar we heen gaan, wil hij weten, en waar we vandaan komen. We vouwen de kaart uit of zijn toonbankje. Rachel wijst onze route aan en vraagt naar een doorsteek die we willen maken, een kilometer of zes over de heide. ‘That’s quite a long way for a shortcut’, zegt hij vrolijk.

Fisherfield Forest is geen bos!
Fisherfield Forest is geen bos!
(Foto: Ernst Arbouw ©)

Als we in de loop van de middag onze rugzakken ophijsen, breekt de zon weer door. In goudkleurig zonlicht lopen we het dorpje uit. Bremstruiken zorgen voor een dikke deken van kokosbrood. In een van de schaarse bomen roept de koekkoek. ‘Hij moet even z’n ei kwijt’, mompelt Rachel. Dat krijg je als je met een bioloog op pad gaat. Er zitten hier zoveel koekkoeks dat je er soms horendoel van wordt, vooral omdat ze zich maar zelden laten zien. Soms is niet meer te zeggen of het geluid nou uit één of ander ver bosje komt of dat het in je hoofd zit, net zoals ik ’s avonds hoogtelijnen en gestippelde wandelpaden zie als ik m’n ogen sluit, en handwaswitte lammetjes natuurlijk.

Ik krijg de schrik van m’n leven als een humeurige adder zich de volgende ochtend sissend van het pad verheft. Het dier lag kennelijk te zonnen tussen de warme stenen, het is opnieuw stralend lenteweer. Ik was bijna op hem gaan staan en nu kijkt hij me recht aan. Het beest is ongeveer een meter lang, over z’n rug loopt een soort klimtouwmotiefje. Voorzichtig grijp ik naar m’n camera, maar dan besluit de slang dat het welletjes is. Hij schiet weg tussen de heidestruiken, net zo geschrokken als wij.

Een dag later zitten we bij Lochivroan, de derde bothy op onze route, voor een kopje thee. Op de zolder van het hutje klinkt druk geritsel. Ik klim het wankele trapje op, voorzichtig om mijn hoofd niet te stoten. Een tapuit fladdert tegen de dakramen, kennelijk is hij ingesloten geraakt. Ik doe een paar stappen naar het raam. Het vogeltje schiet rakelings langs m’n hoofd, naar de andere hoek van de zolder. Ik open het venstertje en doe een paar stappen achteruit. Het angstige diertje vliegt naar buiten en verdwijnt in de verte. Ziezo, tijd voor een kopje thee en een snicker.

Loch Onbekend
Loch Onbekend
(Foto: Ernst Arbouw ©)

Als we verder lopen langs Loch à Bhraoin (spreek uit: Lochivroan) ontmoeten we nog een vreemde vogel. Over het spiegelgladde wateroppervlak van het meer naast de hut zwemt een, tsja een wat eigenlijk? Ik moet even lang nadenken voor ik doorheb wat daar zwemt: een roodkeelduiker. Het dier lijkt bij het zwemmen het water nauwelijks te raken, veroorzaakt bijna geen rimpeling, geen geluid. We staren hem na terwijl hij rustig en toch pijlsnel het loch oversteekt.

Ondertussen begint het langzaam te miezeren, en langzaam miezeren, wordt zachtjes regenen. De volgende ochtend is het voor het eerst echt slecht weer. Het miezert, afgewisseld met regen, mist, gespetter en een enkele hoosbui. En al die tijd waait het. Hard. Liggend in onze slaapzakken wachten we tot het weer opklaart, maar dat gebeurt niet. Pas in de loop van de ochtend durven we het probleem onder ogen te zien: we-moeten-naar-buiten.

We schrapen al onze moed bij elkaar, breken vliegensvlug de tent af en vertrekken in een mistbui met druppels zo groot als stuiterballen. We lopen door een dal zonder naam richting een pas zonder naam. Het pad bestaat uit grote brokken natgeregend graniet en blubber. Na de naamloze pas verandert het pad. Natgeregend gras en blubber, afgewisseld door vrolijk kolkende stroompjes die het pad kiezen voor hun weg richting zee. Opnieuw grazen kuddes herten op de hellingen, drie grote groepen dit keer, links, rechts en rechtvoor.

Op weg naar 'The Middle of Nowhere'
Op weg naar 'The Middle of Nowhere'
(Foto: Ernst Arbouw ©)

Het pad verandert heel langzaam, bijna ongemerkt, in een karrenspoor, dat bijna onmerkbaar verandert in een halfverharde weg. Een 4x4 komt ons tegemoet. Of we toevallig ergens een kudde koeien hebben gezien. En of we al een droge plek hebben om te slapen. Het is de beheerder van Fannich lodge, een landgoed een paar kilometer verderop. Hij biedt aan dat we wel in een jagershut op het terrein kunnen slapen. 'Vraag bij het landhuis maar even om de sleutel'.

Als ik even later het hutje binnenstap, is het net alsof de hele wereld tot rust komt. Voor het eerst in een paar dagen giert niet meer de wind rond m’n hoofd. Alleen buiten ruist het nog over het water en door de rododendrons. In het hutje is een keukentje met een gasstel, een slaapkamertje en een grote huiskamer, helemaal volgestampt met wat mensen de laatste veertig jaar zoal aan meubels hebben gebruikt, maar dan kriskras door elkaar, op elkaar en over elkaar. We spannen waslijntjes tussen oude kasten en opgestapelde bedden en proppen onze schoenen vol met tabloids uit de Thatcher-jaren

Met halfdroge schoenen lopen we verder. Voorzichtig komt de beschaving terug. Het begint met een strook kapotgereden asfalt, dan een kleine stuwdam en elektriciteitsleidingen. De wind giert tussen de draden. Bij het stationnetje van Lochluichart gooien we onze rugzakken neer. Het duurt nog drie uur voor de volgende trein komt. We kijken eerst naar de dienstregeling en dan naar elkaar. Tijd voor een kopje thee. En een snicker

Informatie
Wandelen De beschreven route loopt van Ullapool naar het stationnetje van Lochluichart. De wandeling is op de kaart zonder al te veel moeite terug te vinden. Twee keer moesten we een stuk ‘struinen’, wandelen zonder pad. Een kort stuk met twee (ondiepe) rivieroversteken bij Shenavall Bothy en een langere doorsteek ten noorden van Heights of Kinlochewe. De paden zijn nu en dan erg slecht, maar daar staat dan weer tegenover dat de hoogteverschillen niet al te groot zijn.
De route kan vrij eenvoudig verlengd, verkort of omgedraaid worden. Van Lochluichart kun in zuidelijke richting naar Glenn Affric, vanuit Ullapool kun je doorlopen tot Cape Wrath. Wie weinig tijd heeft, kan de wandeling beginnen of eindigen in Kinlochewe.
Beste tijd In het voorjaar is het in Schotland in het algemeen droger dan in de zomer. Riviertjes zijn dan makkelijker over te steken, de gevreesde Highland midge is nog in winterslaap en bloeiende brem zet de glens in goudgele gloed (nu laat ik me even gaan...) Het najaar is meestal ook wat droger, augustus is de natste maand.
Midges
Heen & Terug Het makkelijkst is om te vliegen via Inverness. Vanuit Nederland kan dat alleen met British Midlands, met een overstap in Londen. Vanuit Inverness rijden bussen naar Ullapool. De beschreven route eindigt bij een stationnetje aan de spoorlijn richting Inverness.
Links: Reizen naar & in Schotland
Eten & drinken Winkel(tjes) zijn er in Ullapool en Kinlochewe. Verwacht in Kinlochewe niet al te veel keuze: koek, snoep, blikvoer, pasta en een enkele instantmaaltijd. In de plaatselijke pub serveert men bovengemiddelde maaltijden. Tip: probeer de sticky toffee pudding.
Drinkwater kwam onderweg uit stroompjes bergbeekjes. Het water heeft soms een wat bruine kleur door de veenbodem en het bevat ongedefinieerde huikjes, maar het is zonder problemen te drinken. Kies water uit kleine, snelle stroompjes en vermijd plaatsen waar vee staat. Wij vonden het nergens nodig het water te zuiveren.
Overnachten Onderweg moet je wildkamperen of slapen in bothies. ‘Bothies’ zijn kleine schuilhutjes, eigendom van landeigenaren. Het onderhoud wordt verzorgd door de Mountain Bothies Association. Wandelaars en klimmers kunnen in ruil daarvoor gebruik maken van de bothies. De faciliteiten zijn altijd eenvoudig; water komt uit de beek, het toilet moet je zelf graven.
Mountain Bothies Association
In Ullapool is een jeugdherberg. Wij sliepen in een bed & breakfast met prachtig uitzicht over Loch Broom.
Old Surgery Guest House
In Kinlochewe is een bunkhouse (10 pond p.p.p.n.) en een camping van de Caravan Club waar tenten niet toegelaten worden. Iets verder naar het westen voorbij het Beinn Eighe Visitor Centre (links) is er (rechts) een gratis kampeerterrein.
Het is op de terugweg handig om een overnachtingsplek te hebben in Inverness. Verschillende mogelijkheden, onder meer Glen Mohr Hotel, op een prachtige plek aan de River Ness
Glen Mhor Hotel
Kaarten Ordnance Survey Landranger (1:50.000) nr. 19 en 20
Boeken Exploring the far North West of Scotland, Richard Gilbert, uitgeverij Cordee, The Munros, redactie. Donald Bennet, uitg. Scottish Mountaineering Trust, Walking in Britain, uitgeverij Lonely Planet
Boekrecensies


 

Dit artikel van Ernst Arbouw © is afkomstig uit de Hoogtelijn (nr. 2, april 2005), het magazine van de NKBV.
NKBV...


 
 
          Naar de top van deze pagina  Naar beginpagina Buitensport-Schotland.nl