|
Gestaalde kaders
Beenhakker’s denken was hoekig en nors. De lucht was grauw, rauw. De wind stootte onder de gordel, besprong hem als een natte eskimohond. Beenhakker moest even knokken. Gevechtskontakt. Hij wist ongeveer waar hij heen ging. De kompasnaald slingerde rond noordnoordoost.
Hij bereikte de vallei door een kloof waar de wind kolkte. Een vormloze laagte in de mist, keien onder de voet, een enkele kreupele den. Kleine groepen bergsporters fladderden hier en daar. Vaag grijs drie wanden van steen. De vierde wand had torens van granietblokken, als een rottend gebit. Een paar loodrechte strepen groen waar het gebit kwijlde. Grauw tegen het grauw van de wand een oude hut. Op de drempel stond Bikkel. Zijn gierenklauw bood geen druk, maar een stuk papier. ’Dit zijn je klanten. Ik moet je wat zeggen. Loop maar mee. Ze wachten in Inchnadamph.’
Ze gingen in hoog tempo langs een modderspoor een bergrug op. Het woei vervaarlijk. Er kwamen wandelaars omlaag, groetend zonder hoffelijkheid, zoals wandelaars groeten. Bikkel zei, wijzend naar de volgende vallei: ’Je eerste klanten zijn een unieke verzameling. Zoiets heb ik nog nooit bijelkaar gehad. Je voorganger heeft het opgegeven. Ik maak je maar attent. Begrijp je?’ Hij had al zo’n beetje een idee. ’De tijd is voorbij van gemoedelijk slenteren, van gekeuvel. Dit geslacht is zo soft als de pest. Je moet durven teruggrijpen op het oude systeem van doordouwen en afmatten. Niet lullen maar lopen – dat is mijn filosofie. Je klanten zijn daar beneden, op coördinaat 258219. In theorie tenminste. Tot vanavond.’ Bikkel verdween in de nevels waar de rug elleboogde.
Beenhakker liep ongehaast, blanco het terrein waarnemend, het dal in door de druilregen. Onder het afdak van een hotelingang zag hij een slordige kluit rugzakken. Hij voelde wat hem te wachten stond: een kudde.
De kudde
De halfduistere lobby had een groezelig tapijt in koortsdroomkleuren. Aan de wand de onvermijdelijke dode adel en paarden. Een hoek met lompe meubels diende als stal voor de kudde. Ze werd er juist gevoederd, onder genoeglijk geknor. Beenhakker liep naar het raam, staarde een tijd naar het druilen. Eindelijk draaide hij zich om en stond daar zwijgend, grijnzend, een halo van somber licht om zich. Het geknor verstomde. Hij haalde de lijst tevoorschijn, begon namen af te haken met felle halen van zijn balpen: ’Baba – Calixto Leidenfrost – Gürkök – Hfaiedh - Kabaretti-Nemtzeanu…’ Wat een namen, dacht hij. En wat een konten. Het antwoord ’Ja’ kwam aarzelend, de kudde begreep dat ze de warme stal ging verlaten. ’…Mathichiparampil – Ndam – Puff – Rinnetmäki - Vo – Zott Chuecas.’
Hij vouwde het papier bedachtzaam op, stak het in een borstzak, knoopte die zorgvuldig toe. ’Dat jullie hier koffie zitten te lurken in plaats van naar het afgesproken kaartcoördinaat te lopen beschouw ik niet als truttigheid. Jullie zijn volwassen. Maar jullie willen een leider. Er zal daarom geleden worden, deze hele vakantie.’ Hij zweeg, keek proevend rond. Het was drukkend stil. Langzaam overwon een vette arm de zwaartekracht. ’Meneer, is het pad gemarkeerd?’, loeide een nijlpaard. Beenhakker was niet op zoveel onkunde voorbereid. ’De Hooglanden zijn een heel eind van het Wienerwald, Ndam, dat zou teveel verf kosten’. ’Is er een café voor de lunch?’ ‘Doen ze hier niet aan.’ ’En als het blijft regenen?’ ’Als je niet ophoudt met zaniken kun je direct naar huis, Ndam. En nu naar buiten allemaal, daar horen wij de wielewaal’.
 'Er was een rafelige neveldeken over de moors gezakt, waaruit het nog wat drupte.'
|
Er was een rafelige neveldeken over de moors gezakt, waaruit het nog wat drupte. Een landweg voerde langs een woeste stroom, bruin van het veen. Het geknor, eerst voorzichtig, hernam op volle kracht. Iemand kwekte in een mobieltje. Een korte blik op zijn kompas en Beenhakker stak haaks de kniehoge hei in. Hij priemde een vinger naar een dor wezen. Onder schraal gewas, paleobotanisch wellicht van waarde, schemerde een doodsbleke schedel. ’Jij loopt achteraan; zorg dat de club in dit terrein bijelkaar blijft.’ ’Wos soi des, ka Markierung, ka Weg, nix - des derf net saan!’ mompelde de mummie. Beenhakker hoorde het niet. Hij luisterde naar het schuren van de hei langs zijn gamaschen. ’Weer thuis’, dacht hij. Achter hem werd het stil.
Grossier in afknijpen
Graniet was de harde oermoeder van dit land. Ronde vormen tot aan de horizon, maar nergens troost. Voeding bood het graniet nauwelijks. Op een korst zuur veen groeide hei, de kameel onder de planten, en het oergewas der varens. Soms deed de natuur concessies: een plek schraal gras, wat knoestige dennen of gebochelde berken. Naar het westen overheerste zandsteen, even onvruchtbaar maar zwakker, bizar geërodeerd, gebeenten van steen oprijzend uit zompen. Beenhakker kreeg er nooit genoeg van. Niet de barokke weelde van een loofbos hier, geen zoet geurende bloemenweiden, geen beschutting van heggen eeuwenlang gemanicuurd door mensenhand, maar de natuur van de eerste scheppingsdagen, land en water nauwelijks gescheiden, het paradijs iets waar God nog over moest nadenken. Gigantische grauwe wolken, armada’s van luchtpiraten, zeilden over de versteende zee.
 'Kampend tegen de snijdende wind bereikten ze een bergrug. De wereld was hier niets dan grauwe rots in een grauwe oneindigheid; het kompas wees de weg.'
|
De kudde sjokte bergopwaarts, wadend door hei en borsthoge varens. Hogerop doorsneden zwarte veengeulen met kniediepe modder de moors. Het waden werd afgewisseld door springen. Hij bleef tempo houden. ’Bikkel & Beenhakker, Grossiers in Afknijpen’, dacht hij grimmig. ’A Waunsinn’, rochelde de mummie op de achtergrond. Boven de geulen werd het terrein rotsachtiger. Ze kruisten een bulldozerlitteken, een tentakel uit de vallei, waar Beenhakker een paar strompelaars terugstuurde, de mummie incluis. Daarna verdwenen ze in de wolken. Kampend tegen de snijdende wind bereikten ze een bergrug. De wereld was hier niets dan grauwe rots in een grauwe oneindigheid; het kompas wees de weg. Soms kwamen ze bergsporters tegen, eenlingen meest. Ze deinden als gruizig ijs over de lange golven van de rug, gedragen door machtige kuiten. Uit hun blik sprak de kantigheid hunner gedachten. Ergens in het niets hield hij lunchpauze, in de luwte van wat rotsblokken. Er verscheen een mat wit schijfje in het grijs. De wolken kregen rafelige gaten, er was uitzicht op meer rots. Gepraat werd er weinig.
Laat in de middag begon de weg terug, van rots via veengeulen naar varens en hei. Het restant kwam aardig mee, hij zou nog wat van ze maken. Lager ging het door moerassige weiden aan de meanders van een traag water. Een voetbrug, een modderig veepad door een jungle van voddige elzen, dan ineens het asfalt van een dorpsstraat. ’Heb ik daarvoor mijn schoenen gepoetst?!’, loeide het nijlpaard. Er werd gegrinnikt, een goed teken. Beenhakker verbeet zijn eigen lach: hij voelde in Ndam de kiem van muiterij. Hij kauwde tweemaal dreigend. ’Ik draag Shadrack Ndam aan het bestuur voor…’ Hij wachtte, peuterde veen vanachter een vingernagel. ’…om uit de Club verwijderd te worden.’ Het was heel stil. De bus gromde om de hoek. Er brak een voorzichtig rumoeren uit terwijl de kudde instapte. Beenhakker hoorde het niet. Hij liep naar de kroeg in Kylesku. Bikkel zat er achter een Laphroaig. Ze zeiden weinig, hadden het niet nodig. Beenhakker kon vier uitvallers melden. Niet kwaad voor een eerste tocht.
|