|
DE VREEMDE VOETTOCHT naar Schotland in 1990 was met recht vreemd te noemen. Zo kon het gebeuren dat de politie moest ingrijpen om de veiligheid van de deelnemers te garanderen. Maar ook wordt er verteld over het zoeken van voedsel uit de natuur en het stropen van zalm. De vooroordelen dat het in Schotland altijd regent en dat de bergen er niets voorstellen zullen ontzenuwd worden. Ook bij deze tocht werden, volgens de beste vreemde voettochttradities, plannen door de praktijk achterhaald en vervangen door onverwachte avontuurlijke gebeurtenissen. Het begon zo gewoon….
Naar ‘t Noorden
Zaterdag 23 juni 1990 checken we in op Schiphol en om negen uur zijn we reeds in Glasgow. Het was eens de grauwste stad van het Verenigd Koninkrijk, maar is nu met veel allure de cultuurhoofdstad van Europa 1990. Na een optocht met de onvermijdelijke doedelzakken, brengt de trein ons naar Mallaig. Daar vertrekt de boot naar Skye. In Mallaig moeten we meteen al improviseren, want er is geen op de boot aansluitende bus. Wel kunnen we per taxi naar de Cuillin Hills. De Cuillens is een schitterend berggebied op Skye. Na een mooie overtocht staan de bestelde taxi's reeds klaar. We worden er met wat moeite ingeperst en op de wegen van Skye grondig door elkaar geschud. Halverwege houdt de politie ons aan. Ze doen vreselijk moeilijk. Eén der chauffeurs heeft geen APK, maar wel een rijontzegging. De politie acht het onverantwoord dat we doorrijden. De chauffeur regelt snel twee andere taxi's die ons veilig naar Sligachan brengen, waar een hotel met camping is. Op de camping bereiden we een voedzame, doch smakelijke, maaltijd en genieten van de typisch Schotse lichtinval. Waar de zon schijnt is het heldergroen, maar elders lijken de bergen bijna zwart. De bewolking neemt steeds verder af en de bergen gaan ‘Alpenglühen’. Op deze breedte zijn de nachten erg kort en we hebben niet in de gaten dat het al laat is. Heel langzaam worden de kleuren steeds dieper maar echt donker wordt het niet.
Cuillin Hills
Zondag 24 juni: We slapen uit tot acht uur en om halftien lopen we al in de Cuillin Hills. Na een half uur begint het te regenen en hoewel het er naar uitziet dat het ieder moment weer droog kan worden gebeurt dat niet. Desalniettemin is het landschap overweldigend. Na vier uur wandelen, nou ja wat heet, het pad lijkt meer op een beek/moddersloot, komen we bij een baai. Het is opgehouden met regenen, maar de wind is bij vlagen stormachtig en het is prettig dat we hier gebruik kunnen maken van een bothy. Een gratis onbemande hut. We zijn echter niet de enigen in deze Camasunary Bothy en sommigen moeten toch in de tent. Al snel scheurt er één onder het geweld van de wind. Gelukkig kunnen we deze provisorisch repareren. Bij eb plukken we een emmer mosselen. Het is een verrukkelijke aanvulling op het toch al niet karige avondeten. Na de maaltijd klaart het plotseling op. De wind draait negentig graden, de hemel scheurt open en we zien de schitterendste uitspattingen van heldergroene vlekken op de zwarte bergen en hemelsblauw in loodgrijs. Het strand wordt bevolkt door Oeverlopers en grote gezinnen Eider- en Zaagbekeenden en boven zee zweven de majestueuze Jan van Genten en noordse stormvogels. In de verte zien we een paar eilanden af en toe achter een bui verdwijnen.
Bad Step
Maandag 25 juni: We staan vroeg op -voor wandelaars is dat zeven uur- en omdat het weer goed is besluiten we het kustpad te nemen naar de volgende baai. We moeten dan wel eerst een flinke beek doorwaden, maar het zal de moeite waard blijken. We lopen boven steile klippen en de zee brult in de diepe spleten. We zien Jan van Genten met spectaculaire duikvluchten in zee vallen en heel dichtbij steekt een Zeehond zijn kop boven het glasheldere water uit. Het is heerlijk zonnig aan de kust, maar de toppen van de bergen zitten dik in de wolken en het ziet er onheilspellend maar adembenemend mooi uit.
Bij de ‘Bad step’ treffen we twee Engelsen aan. Eén heeft een val gemaakt, zijn been gebroken en hij is twee uur bewusteloos geweest. De ander is volkomen besluiteloos. We zetten hun tent op en vervolgen onze route om alarm te slaan bij Hotel Sligachan. Dat is onze bestemming van die dag en tevens de dichtstbijzijnde bewoonde wereld. Een paar snelle jongens gaat vooruit, de rest volgt in een rustig tempo. Hoewel de toppen van de Cuillin Hills slechts duizend meter hoog zijn, doen ze beslist alpien aan. De valleien zijn diep ingesneden tot op bijna zeeniveau en gelardeerd met beken en meren, de graten zijn grillig en van de rotsen zullen veel klimmers watertanden. Door het ontbreken van bomen lijkt het op een gebergte boven de boomgrens. Het oppervlak van het meer, waar we langs lopen, wordt geteisterd door windhoosachtige turbulenties en ook wij worden af en toe bijna van de berg afgeblazen. Bij het hotel aangekomen blijkt dat anderen reeds alarm hebben geslagen. In de pub verwennen we onszelf met een goedkope maar uitstekende maaltijd, waar het in de alpenhutten geserveerde ‘Bergsteigeressen’ niet bij in de schaduw kan staan en grote pinten bier.
Lewis & Harris
Dinsdag 26 juni: De bus naar Uig is op de seconde op tijd, op Skye is zoiets heel bijzonder. In Uig nemen we de boot naar Tarbert op het eiland Harris, één der Buitenste Hebriden. De overtocht duurt twee uur en we kijken onze ogen uit. Pijlstormvogels scheren kantelend over de golven, lastig gevallen door Grote Jagers (een roofmeeuw). Weidse uitzichten op allerlei eilanden zijn ons deel en af en toe steken Bruinvissen hun rugvinnen hoven water. In Tarbert, Harris, doen we boodschappen bij Abdul een Gaelic (Keltisch) sprekende Pakistaan. Dan hijsen we onze rugzakken op de schouders en zeulen ze de bergen in. Het landschap is hier heel anders dan op Skye. De bergen zijn bultig met grijze rotsen, geen los puin en veel groen. Het wemelt er van de vleesetende Zonnedauw, Veenpluis, Dopheide en Tormentil. Het is hier een hoogveengebied en turf is een veelgebruikte brandstof. Het pad is goed begaanbaar en we schieten lekker op. In het veld vinden we een juist overleden schaap.Als de dierenarts in de groep verklaart dat het zonder meer voor menselijke consumptie geschikt is, besluiten we de beste stukken vlees mee te nemen. Er wordt openlijk getwijfeld aan de verstandelijke vermogens van de tochtleiding, want niet iedereen is dit soort praktijken gewend. Maar consumptie is niet verplicht en het gemor verstomt.
Het weer is werkelijk stralend. Helaas zijn de prachtige zandstranden van Harris en Lewis net te ver weg anders zouden we er onmiddellijk gaan zonnebaden. Boven op een pas vinden we een mooie plek om te kamperen. In een meertje verderop maakt een Otter zich uit de voeten. Gezamenlijk zoeken we dode hei voor een vuurtje. Dat is nodig, want de beruchte midges - dit zijn zeer kleine, maar talrijke en bloeddorstige muggen waar je gillend gek van wordt - denken de dag van hun leven te hebben. Met de rook van het vuur zetten we zo ongeveer de hele valei blauw en zo houden we ze behoorlijk op afstand. Het schapenvlees wordt in anderhalf uur botergaar geprutteld. Naarmate de geuren uit de pan sterker worden neemt de weerstand ertegen af en geserveerd met chutney is de smaak voortreffelijk en opvallend veel mensen eten er alsnog van. Ook aan de verse groente, rijst en saus is de nodige aandacht besteed en iedereen komt aan zijn trekken. In de beek spoelen we het zweet van de dag van ons af en kruipen fris in onze slaapzakken.
Zalm stropen
Woensdag 27 juni: Wederom staan we vroeg op en gaan snel op weg naar een baai op de grens van het bergachtige Harris en het glooiende Lewis. We zijn nu goed ingelopen en het is heerlijk wandelweer met een aangename temperatuur, maar geen zon. In de late middag verlaten we het pad en lopen door het veld naar de haai. We struikelen bijna over een groep Herten. In de verte zoekt een Steenarend de hellingen af en dichtbij scheuren Tureluurs en Goudplevieren de stilte aan stukken.
Als we bij de baai aankomen zien we weer eens andere mensen. Twee Engelse dames staan in de beek te vissen. We blijken ons op een landgoed te bevinden. Het is vrij toegankelijk en de bewakers vertellen ons dat een visvergunning hier slechts f 3.500,- kost. Dat is niet duur, want er zijn genoeg rivieren waar je het dubbele betaalt. Je mag dan maximaal één zalm per dag meenemen. Herten jagen kan hier voor f 1.000, per kogel. Schiet je mis? Jammer! Schiet je raak? Ook jammer, want de buit blijft eigendom van het landgoed. Dat is dit jaar geërfd door een 14-jarig jongetje. Het gesprek van het eiland. Je kunt logeren op het kasteel voor f 25.000,- per week. Het is hier wet erg ongelukkig verdeeld. Er wordt door de arme bevolking van Lewis flink zalm gestroopt. Men is wet zwaar protestant, maar het jatten van zalm van stinkend rijke Engelsen levert kennelijk geen onoverkomelijke gewetenswroeging op. Bewaking is zeker nodig en de boetes voor illegaal een hengel uitgooien zijn niet mals
(f 1.250,-).
Van aangespoeld hout bouwen we een laaiend vuur en bij eb verzamelen we binnen de kortste keren een krat dikke mosselen. De zalmen zwemmen af en aan. Ze maken grote sprongen en wachten hoog water af om de beek op te zwemmen. De Engelse dames zijn vertrokken zonder iets te hebben gevangen met hun dure uitrusting. De bewakers demonstreren ons een primitieve methode om zalm te vangen, zeer effectief en hoogst illegaal. Ze spannen een net in de beek, jagen de zalm erin en slaan ze met een stok op de kop. Aangezien de bewakers, zeg maar stropers, niet met de dure gasten van het landgoed mogen praten, vinden ze het reuze gezellig dat wij er kamperen. Ze geven ons drie dikke zalmen en zeeforel. Later horen we dat publiekgeheim is dat ze stropen. Met gebakken en gegrilde zalm maken we van het avondeten een waar feestmaal, waar we ons totaal klem aan eten. Van de mosselen blijft veel over. We pellen het restant voor de volgende dag. ‘I am dying for a glass of whisky’, maar je kunt niet alles hebben. Gelukkig heb ik goede sigaren bij me. In de eindeloze avondschemering zien we de horizon vervagen. Na een bad in de beek gaan we naar bed. Wat kan het leven toch heerlijk zijn.
Steencirkel
Donderdag 28 juni: Weer vroeg uit de veren. De bewakers zijn de afgelopen nacht door hun chef betrapt. Als hij er werk van maakt, wordt dat zeker brommen. Maar hij komt ook van Lewis en zal het wel door de vingers zien.
We laten de bergen van Harris achterons en lopen door het vrij vlakke Lewis naar de steencirkel van Callanish, de grootste na Stonehenge. We zijn iets te laat vertrokken, want terwijl het weer op Lewis mooier wordt, zien we achter ons de bergen van Harris telkens achter buien verdwijnen. We pakken er nog net een staartje van mee. Het is even schrikken als twee Moerassneeuwhoenders vlak voor onze voeten opvliegen. Het terrein is erg drassig en de eerste zes kilometers zijn moordend. Dan komen we op een pad dat echter nauwelijks beter begaanbaar is. Na een uitgebreide picknick strekken we ons nog eens lekker uit in de zon en maken ons dan op vijftien kilometer asfaltstampen. Het lopen op een weg is helaas niet de meest avontuurlijke manier van wandelen, maar er komt vrijwel geen auto langs en we kunnen prima genieten van de zacht glooiende vlakten, de talloze meren en de bergen die het geheel omzomen. Ze verkleuren continu van zwart naar groen en omgekeerd. We krijgen toestemming om vijfduizend jaar oude steencirkel te kamperen. We hebben ook weer inkopen kunnen doen en het avondeten (met de mosselen van de vorige dag) is weer dik voor elkaar. De dubbele regenboog tijdens het eten, de dreigende verten en het zachte avondlicht op de enorme staande stenen zorgen voor een onvergetelijk decor. Het is het afscheid. Morgen vertrekken we weer per bus en boot naar Ullapool. Wat het weer betreft zijn we door het oog van de naald gekropen. Normaal schijnt het op Lewis & Haris de helft van de tijd te miezeren, maar wij hebhen slechts een paar buien gehad en heel veel zon. ‘s Nachts heeft het wel wat geregend, maar daar zeuren we niet over. In grote delen van Europa is het weer aanmerkelijk slechter geweest.
|