|
Volgens Mick moét ik het panorama vanaf Sgurr na Ciche aan de kop van Loch Nevis (de ‘hemelse baai’) gaan zien, maar na een schitterende start begint het de volgende middag dicht te trekken. Om niet alles te missen beklim ik Meall Buidhe, een Munro die dichter bij de route ligt, en dwaal onder een gigantische hemel over het topplateau; in het oosten verdwijnen de duivelshoorns van Sgurr na Ciche en Garbh Cioch Mhór al in de wolken. De kop van Loch Nevis bereik ik bij laag tij. Van hier wil ik via de rug van het schiereiland North Morar naar Tarbet, waar een pad naar het dorp Morar begint. Ik snij een kilometer af over bijna droogliggende zandplaten - te voet over de Atlantische Oceaan. Vlak voor de overkant gaat het water toch nog over mijn dienstlaarzen heen. ‘Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?’
De zich samenpakkende wolken doen me afzien van een klim naar de rug. Er loopt langs de oever een spoor – een schapenspoor, naar de stinkende karkassen de oordelen. Maar ik zie ook een paar keer een afdruk van een damesschoen, het soort dat verstandige meisjes naar kantoor dragen. Hoe ze hier doorgekomen is blijft me een raadsel: het kost me een uur over rotsblokken, door borsthoge varens en kniehoge hei om een vlak plekje voor de tent te vinden.
Miniavontuur
De slaap wordt een paar keer verstoord door hard gekletter op het tentzeil. ‘s Ochtends steekt een storm op, de regen valt horizontaal. Het schapenspoor blijft langs de oever slingeren, maar de combinatie van gierende wind, natte rots en kniediepe vegetatie maakt het moeilijk met alle bagage overeind te blijven. Na anderhalf uur ploeteren slaat ineens de stop door: ik moèt ergens ruimte voor mijn tent vinden, en gauw. De ruïne van Ardnamurach komt in zicht. Bij de klim over het hek valt de kaart uit mijn jekker, uit de plastic zak, en recht in een diepe plas. Bingo. De boerderij heeft geen dak meer, maar binnen de muren komt de wind alleen bij vlagen. Ik verzwaar de tenthoeken met stenen en rol mijn slaapzak in het klamme, klapperende geval uit.
Tegen de middag gaat de wind liggen. Een paar kilometer verder kan ik het laatste obstakel, Creag Chruachain, zien. Daarachter begint het pad naar Morar. Het terrein is nu vlakker; twee keer kom ik het damesschoentje tegen. Dat geeft moed. Maar als ik probeer aan de voet van de heuvel rond een hoog wildhek te komen stuit ik op een rotswandje dat verticaal het water ingaat. Dus toch tegen de helling op, in de hoop ergens een plek te vinden waar ik zonder mijn nek te breken over het hek kan. Tien meter hoger: een poortje. Een kwartier later ontmoet ik een man die bezig is een tuin aan de wildernis te ontworstelen. Ik moet even mijn miniavontuur kwijt. ‘Aye, miserable weather, aye’, is zijn reactie na iedere zin. Miserabele vent.
Waar wij wonen
Tarbet is Gaelisch voor landengte. Twee huizen, een kerkje, nog een man. Het gehucht doet zijn naam eer aan: binnen een kwartier loop ik van Loch Nevis naar Loch Morar. Hier vind ik een oude botenschuur aan het water, ideaal voor een lunchpauze. Er ligt een dood schaap in. Ik sjok verder onder de loodgrauwe lucht.
Bij de ruïne van Brinacory breekt een waterig zonnetje door. Dankbaar laat ik de last van m’n schouders glijden; in de overwoekerde, parkachtige tuin – was dit ooit een buitenhuis? - eet ik haverkoekjes en cheddar met m’n rug tegen een enorme, exotische conifeer. De bewoonde wereld kondigt zich een half uur later aan met een paar manisch kakelende Amerikaanse vakantiegangers (‘Wow, man, the spirit of this place...’, enz.).
Naarmate ik Morar nader worden weer en loch mooier. Kiezelstrandjes, oud loofhout langs het water, Zuidzee-eilandjes, wolken als Oost-Indiëvaarders. Vlak voor het dorp een prachtige hei met plukken den en berk, zó uit Waar Wij Wonen van Jac. P. Thijsse. Achter de heuvels laat de kaart een meer zien. Ongetwijfeld glashelder.
‘De wildernis en de eenzaamheid. Hoe goed is het, om den druk beganen weg te verlaten.’
Dan bedenk ik me dat de keuken alleen een homp kaas, vier haverkoekjes en een Mars te bieden heeft. De gedachte aan een moot verse zalm besproeid met een Dark Isle Skullsplitter of – wie weet? – een Traquair House wordt me te machtig, ik loop door. In het dorp maak ik een praatje over de heg met de vrouw van een visser; vijf minuten later heb ik een zaal van een zolderkamer waar ik de druipende inhoud van mijn rugzak probleemloos etaleren kan.
Traquair House en Skullsplitter hebben ze vandaag niet in het Morar Hotel. Dan maar een karafje wijn bij de vis. Een buslading authentieke Edinburghse dames met permanentjes en parelkettinkjes wisselt beleefdheden uit over kamerplanten, schoothondjes en schoonzoons terwijl ik met een kop als een boei de zon in de zee zie zakken.
|