|
Inleiding
In het afgelopen jaar 2004 heb ik van een kleine zestig Munro’s de top bereikt. Dit betekent een groot aantal zeer verschillende tochten, waarbij iedere tocht zijn eigen karakteristieken en charmes had. De ene dag lopen kan totaal anders zijn dan de dag ervoor of erna, ook door de wisselende weersomstandigheden. Ik denk zelfs dat wanneer je twee keer eenzelfde tocht maakt, dit toch vaak totaal verschillende tochten zullen zijn.
Afgelopen zomer heb ik dan wel niet twee keer eenzelfde tocht gemaakt, maar wel ben ik vlak na elkaar twee keer op de top van de één na hoogste Munro, Ben Macdui (1309m), geweest. De eerste keer bereikte ik de top in volledige mist en dus voelde ik me best wel wat teleurgesteld. Al die moeite en dan op de een na hoogste berg in heel Groot-Brittannië niet eens van mooie vergezichten kunnen genieten!
 Ben Macdui (links) en Derry Cairngorm (rechts)
|
Ik kwam daar op de top echter een stel uit Ierland tegen, waarvan híj op dat moment al voor de vierde keer op deze berg zat en nog nooit had hij helder zicht meegemaakt. Ik zou dus misschien ook nog wel een aantal keren deze berg op moeten voordat ik verder zou kunnen kijken. Twee dagen later was het echter zover. Het zag ernaar uit dat het een stralende dag zou worden, dus schatte ik mijn kansen om nu wèl met goed zicht op de top te staan hoog in. Niets is echter zeker, zelfs niet op een stralende dag. Dat zal later in mijn verhaal nog wel blijken. Deze dag echter had ik geluk...
Vol goede moed ben ik op pad gegaan en volgde daarbij een andere route dan twee dagen daarvoor. Zo kon ik meteen een andere Munro, Derry Cairngorm, en passant meepikken. Vanaf deze laatste Munro was het zicht op de top van Ben Macdui uitstekend, dus het zag er nog steeds goed uit. Uiteindelijk was ik dan al op mijn tweede tocht naar Ben Macdui zo gelukkig om in prima zicht (nou ja, een klein beetje heiig, maar je kunt niet alles hebben), en prachtig weer de top te bereiken, dus dat was echt genieten. Natuurlijk waren de naastgelegen toppen duidelijk te zien, maar van de verder weg gelegen bergen kon ik ook nog duidelijk Lochnagar onderscheiden. Voor mij leuk omdat ik daar een week daarvoor nog was geweest.
 Cairn Toul, Sgor an Lochain Uaine en Braeriach, vanaf Ben Macdui
|
Grenzen verleggen
Wanneer je me nu, wanneer ik terugkijk op de tochten van het afgelopen jaar, zou vragen welke tocht mij het meest is bijgebleven, dan springt er voor mij één tocht echt uit. Niet dat andere tochten niet mooi waren of snel in de herinnering zijn teruggezakt, maar meer omdat ik juist op deze tocht een hoop geleerd heb. Ik heb zo voor mezelf een aantal grenzen leren kennen en ervaren wat vermoeidheid met je kan doen. Bovendien was dit de eerste keer dat ik er een tweedaagse tocht van heb gemaakt. Ik was daar echter tevoren niet echt op voorbereid: ik had geen grote rugzak van huis meegenomen voor deze vakantie en ik had ook geen tent, slaapzak en kookspullen bij me. Normaliter zou ik steeds in jeugdherbergen blijven overnachten. Het nadeel kan dan echter wel eens zijn dat je een aantal keren dezelfde begin- en eindwandeling moet maken om in een bepaald gebied alle toppen te bereiken en toch ’s avonds weer in de jeugdherberg te kunnen zitten. Ik denk bijvoorbeeld aan de 5 km vanaf Linn of Dee naar Derry Lodge,’s ochtends heen en ’s avonds weer terug, terwijl de eigenlijke tocht dan begint en eindigt bij Derry Lodge, tenminste zo ervaar ik dat zelf.
Plan en voorbereiding
Na in de zomervakantie inmiddels voldoende ingelopen te zijn heb ik, toen het weer er een aantal dagen mooi en standvastig uitzag, toch maar de stoute schoenen aangetrokken en ben ik er voor twee dagen op uitgegaan in de Cairngorms. Het startpunt was Cairngorm Lodge, een jeugdherberg fraai gelegen aan de oever van Loch Morlich en met een prachtig zicht op de Cairngorms, en als overnachtingpunt had ik Corrour Bothy in gedachten, een onderkomen middenin de Lairig Ghru. Ik was van het bestaan daarvan op de hoogte doordat ik daar het jaar daarvoor langsgekomen was, toen ik met een SNP-groep de Lairig Ghru was doorgetrokken. We hadden toen bij deze bothy onze lunch genuttigd en wat uitgerust. Van een dak boven mijn hoofd die nacht was ik dus vrij zeker en de rest zou ik wel zien. Wel had ik ruim te eten meegenomen voor twee dagen plus nog wat extra voor het geval dat, al bestond dit eten dan grotendeels uit brood, tomaten, komkommer en wat hardgekookte eieren. Van een dag geen warm eten zou ik echter ook niet minder worden. Als het goed was zou ik de tweede dag ’s avonds in de jeugdherberg weer uitgebreid kunnen gaan koken.
 Chalamain Gap
|
Op pad
Al vroeg op de zaterdagochtend begon ik de wandeling direct vanuit de Cairngorm Lodge, wat als voordeel had dat ik daar gewoon mijn auto kon laten staan. Ondanks het vroege uur deed de warmte zich al snel voelen en moest er al gauw een laagje kleding af; bovendien betekende dit ook vanaf het begin regelmatig voldoende drinken. Mijn eerste doel die dag was om de top van Braeriach te bereiken. Van daaraf waren mijn plannen nog niet geheel omlijnd, behalve dan dat ik als einddoel voor die dag Corrour Bothy had. De tocht liep eerst een stuk langs de weg in de richting van het skigebied in de Cairngorms, maar al vrij snel verliet ik de weg en koerste naar rechts de heuvels in. Om Braeriach te kunnen beklimmen zou ik eerst de Lairig Ghru moeten oversteken en het leek mij het beste en het mooiste om daar te komen via de Chalamain Gap. Ook daar was ik het jaar daarvoor al met de SNP-groep doorheen gegaan, zij het toen in de omgekeerde richting. Ik vond dat gedeelte, die doortocht en afdaling via en kloof vol met grote rotsblokken, toen best spectaculair, dus ik keek er echt naar uit om dit stuk nog eens weer te zien. En ik moet zeggen: het viel niet tegen. Zo nu en dan van handen en voeten gebruik makend kwam ik vlot boven en kreeg ik zicht op Braeriach. Eerst moest ik echter nog weer een stuk dalen, de Lairig Ghru in, om daarin op het laagste punt een riviertje over te steken. Tijdens deze afdaling had ik al goed zicht op het pad dat aan de overkant omhoog liep en dat ik zou moeten volgen. Dat pad in het oog houdend kostte het me weinig moeite om over het riviertje heen te komen, in tegenstelling tot een paar meisjes, die wat verderop duidelijk onhandig bezig waren om over te steken. Ik had niet echt het idee dat ze wilden oversteken, maar later, tijdens een korte rustpauze, haalden zij me toch in en riepen nog: ‘You cleary found a better way to cross!’. Blijkbaar wilden ook zij naar de top van Braeriach.
Dat was echter nog een hele klim! Onderweg bestond de beloning echter uit een prachtig uitzicht over de Lairig Ghru.
 Zicht over de Lairig Ghru; links Carn a’Mhaim, rechts Devil’s Point en Cairn Toul
|
De Munro’s op de eerste dag
Hoe hoger ik kwam, hoe meer wind er ook kwam te staan. Boven werd het dan ook ronduit frisjes en kon er best weer een kledingstuk extra bij aan. Op de top moest je echt een beschut plekje zoeken om wat uit de wind te komen. Tenslotte moest hier wel even gelunched worden na alweer een aantal uren onderweg te zijn geweest. Even pauzeren op zo’n plaats, met fraai uitzicht, is dan welverdiend. Ondanks de heiigheid kon ik toch redelijk ver naar het noorden kijken en in de verte kon ik duidelijk de plaatsen Aviemore en Carrbridge zien liggen. De dames waren inmiddels ook bovengekomen en stonden na een tijdje op het punt om weer rechtsomkeert te maken. Zij vonden het genoeg voor vandaag met deze wind. Na mijn rustpauze vervolgde ik echter onverstoorbaar mijn weg, richting Sgor an Lochain Uaine. Deze weg - hoewel: een pad was er niet - leidde me langs een paar duizelingwekkende afgronden aan mijn linkerhand. Gezien de wind die uit die richting kwam, vanuit de Lairig Ghru, durfde ik niet al te dicht langs de rand te aan lopen. De afgronden, in combinatie met een hoop gebulder van de wind van beneden af, maakte alles redelijk unheimisch, hoewel op zich ook mooi en spannend. Ik liet die dag echter de Sgor an Lochain Uaine letterlijk links liggen en besloot via de zuidwest-ridge daarvan af te dalen in de richting van de bealach (col) even ten westen van Loch nan Stuirteag. Op deze ridge had ik het geluk een grote kudde herten van vrij dichtbij te kunnen zien (volgens mij een van de voordelen van er alleen op uit te trekken: je ziet vaker wild van dichtbij!!). Ik had na Braeriach namelijk besloten om die dag te proberen nog over Monadh Mor en Beinn Bhrotain te komen alvorens Corrour Bothy op te zoeken. Na de bealach was de beklimming van Monadh Mor aanvankelijk redelijk steil, maar al snel vlakte het terrein behoorlijk af en was het een moeiteloze wandeling over beide toppen van deze berg. Op enkele tientallen meters afstand kwam ik daar nog een paar ‘tegenliggers’ tegen. Doordat we elkaar op die afstand nog vriendelijk goeiedag zwaaiden wist ik dat het met hen ook nog prima ging. Met mij ging het ook prima, al had ik het langzamerhand wel een beetje gezien en begon vermoeidheid een beetje een rol te spelen. De kortste weg naar Corrour Bothy zou op dat moment zijn om af te zakken, de Glen Geusachan in, waarna het naar de bothy niet zo ver meer zou zijn. Punt was echter dat ik daar dan best wel vroeg zou aankomen en dat vond ik ook wel weer wat zonde.
 Carn a’Mhaim, Devil’s Point en Beinn Bhrotain
|
Bovendien zou ik, wanneer ik nu Beinn Bhrotain zou overslaan, een volgende keer weer een hele lange wandeling extra moeten maken om alleen nog deze Munro te bereiken! Ook dat vond ik een beetje jammer. Dus toch maar mijn weg vervolgt en verder maar weer over Beinn Bhrotain. En dat ging toch ook weer prima! Intussen was mijn watervoorraad zo’n beetje opgedronken en dus ontstond de noodzaak om bij te tanken. Ik heb dit zo dicht mogelijk onder de top gedaan op een plaats waar een waterstroompje uit de grond tevoorschijn kwam. Dit zou de minste kans op verontreiniging geven. Wat drinken betreft kon ik zo weer vooruit.
Moe en verdwaald?
Volgens een routebeschrijving, die ik bij me had, zou ik vanaf de top in zuidoostelijke richting moeten gaan dalen. Iets wat ik keurig gedaan heb volgens mij. Punt was wel dat ik op weg naar beneden op een gegeven moment helemaal niet meer wist waar ik was. Ik herkende het landschap zoals ik dat zag absoluut niet meer op de kaart. Bovendien ging vermoeidheid op dat moment gekke dingen met me doen, bijvoorbeeld dat ik mijn kompas niet meer geloofde. Ik wist het echt niet meer! Ik wist alleen nog dat ik naar het oosten zou moeten om de Lairig Ghru weer te bereiken, dus wat doe ik: ik loop richting zon! Om 18.00 u ’s avonds de zon in het oosten! Gekker moest het niet worden! Gelukkig realiseerde ik me ergens nog wel dat dát niet goed was, maar verder werd het behoorlijk moeilijk voor me om te bedenken, wanneer de zon in het westen staat, rechts van me, waar dan het noorden en het zuiden zouden liggen. Dat bleek op dat moment best een lastig vraagstuk te worden. Ik heb me toen echt gedwongen om even rustig te gaan zitten en even wat te eten, ondertussen goed de kaart te bestuderen en goed om me heen te kijken. Wat ik volgens de kaart verwachtte te zien waren twee gedeelten met bos. Ik zag dat in werkelijkheid nergens. Zal wel gekapt zijn, dacht ik toen, me gelijktijdig realiserend dat in het terrein dat ik voor me zag in geen paar eeuwen wat dan ook aan bos had kunnen staan. Ook wat dat betreft speelde vermoeidheid me duidelijk parten. Ik had gelukkig nog wel het benul om met mijn rug naar de zon gekeerd te blijven lopen. Ik had me in ieder geval nog weten in te prenten dat er dán nooit veel mis zou kunnen gaan. Echt riskant terrein was er op de kaart niet te vinden, dus dat zou wel loslopen, en uiteindelijk moest ik zo dan toch een keer tegen de rivier de Dee aanlopen. Dan zou ik weer helemaal goed zitten. Zo gezegd zo gedaan, zon in de rug en lopen maar, zoveel mogelijk de hoogte aanhoudend. Uiteindelijk, na toch alweer een hele tijd aan de wandel te zijn geweest en een stuk om de berg heen te zijn gelopen, ontdekte ik dan eindelijk mijn twee stukken bos. Ik moet zeggen dat dat toch wel even een geruststelling was. Ik was nu dus weer op terrein dat ik kon herkennen op de kaart. Een rivier zag ik inmiddels ook en dit kon niet anders dan de Dee zijn. Achteraf weet ik nog steeds niet hoe dit nu zo ineens mis heeft kunnen gaan. Wat ik me nu bedenk, is dat ik waarschijnlijk toch de zuidelijk ridge teveel ben blijven volgen na de laatste top. Hoewel ik redelijk heb lopen klooien om mijn weg weer te vinden, in paniek ben ik toch ook niet geweest. Ik had altijd nog mijn GPS als back-up kunnen pakken om uit te zoeken waar ik was, maar dat vond ik op dat moment ook weer niet nodig. Het enige wat op deze manier zou gebeuren was dat ik nu toch wel vrij laat Corrour Bothy zou bereiken, dat realiseerde ik me wel.
De River Dee over
Maar goed, dit avontuur gehad hebbende, stond me alweer een volgend probleem te wachten. Ik zou namelijk ergens de Dee moeten oversteken om aan de andere kant het pad te kunnen gaan volgen in de richting van de Lairig Ghru. Dit was echter nog niet zo eenvoudig: de rivier is op dat punt al redelijk breed en te diep om over te steken en toch droge voeten te houden. Ik ben eerst de rivier aan de verkeerde kant, maar wel in de goede richting, blijven volgen. Op een zeker moment kwam ik een gedeelte tegen met een eiland in het midden. Dat leek een gunstige plaats om de oversteek te wagen. Het lukte me vrij gemakkelijk om naar het eiland te waden, zonder natte voeten. Daarna was het toch weer wat lastiger, maar goed, voorzichtig toch maar proberen. Ik moet er hier bij zeggen dat ik inmiddels was omgeven door een grote zwerm midges. Lang stilstaan is er dan niet bij en de concentratie verdwijnt dan toch wat. Bovendien was ik inmiddels al behoorlijk vermoeid geworden door deze lange dag. Gevolg was dan ook middenin de rivier toch een kleine misstap en wat water in de schoen. Toen kon het me ook allemaal niets meer schelen en dus banjerde ik vanaf dat punt gewoon maar door zonder nog voorzichtig te zijn om de voeten droog te houden. Ja, toen was ik in een mum van tijd aan de overkant, maar wel met twee schoenen vol met water. Stom van me, ik kon me wel voor m’n kop slaan. Had ik nou maar op z’n minst vóór de oversteek mijn sokken uitgedaan. Maar ja, die midges, hè. Nu zat ik dan aan de overkant van de rivier alsnog m’n schoenen uit te doen, m’n sokken uit te wringen en alles weer aan, nog steeds omringd door diezelfde rottige midges. M’n humeur begon nu danig te zakken en het zou me verder worst wezen. Ik moest dan in ieder geval nog de bothy zien te bereiken voor de nacht, maar morgen zou ik de kortste weg naar de jeugdherberg wel nemen. Met die kletsnatte sokken zag ik het einde van mijn tocht al voor me, verwachtend nu blaren te gaan lopen. Stom, volgende keer toch ook maar extra sokken meenemen. Ook weer geleerd!
Vele wandelaars... kapotgelopen paden
Maar goed, ik kwam dus uiteindelijk op het pad dat ik wilde gaan volgen. Het woord pad dekt echter niet de lading: op de kaart aangegeven als een pad, bleek het hier echter te gaan om een behoorlijk platgetreden en kapotgetrapt stuk waar het uitkijken is geblazen om niet in de blubber uit te glijden en alsnog je enkel of knie te blesseren.
Het is een groot goed dat je in het grootste deel van Schotland vrij bent om te gaan waar je wilt, maar wanneer dit door teveel mensen wordt gedaan, dan treedt er onherroepelijk de nodige schade aan het terrein op. Zeker wanneer iedereen op modderige gedeelten naast het pad gaat lopen! Op die manier kan de natuur over een breedte van enkele meters naast het pad, zoals hier, volledig aan gort geholpen worden. Hierbij dan ook een pleidooi om zoveel mogelijk in dit soort omstandigheden toch maar gewoon het ‘pad’ aan te houden!! Zelf mag ik echter graag lopen in ongebaand terrein waar je niet kunt zien dat er anderen gelopen hebben. Dat kan je het gevoel geven dat jij de eerste bent die ooit op die plek gelopen heeft, al realiseer ik me ook wel dat dat waarschijnlijk niet zo is. Mocht je op je route echter iets van een pad tegenkomen, hou dat dan ook zoveel mogelijk aan, ook op minder mooie, glibberige stukken. Vooral wanneer de ondergrond nat is, is schade door naast het pad te gaan lopen, zo aangericht!
Sorry, deze ontboezeming moest mij echt even van het hart!
 Lairig Ghru met River Dee en het bewuste pad
|
Na toch nog een hele tijd dit vreselijke pad te hebben gevolgd, kwam ik uiteindelijk terecht bij het punt waar ik weer de rivier over moest om bij de bothy te komen. Dit werd evenwel erg gemakkelijk gemaakt door een voetgangersbrug die er daar overheen is gelegd! Het terrein aan de andere kant was evenwel helemaal belabberd om te belopen. Een pad kon ik daar echt niet meer onderscheiden: over vele tientallen meters was het terrein, vol met ‘peat hags’, volledig stukgetrapt. Het was dus nog een hele toer om naar de bothy te glibberen, maar uiteindelijk, om 21.45 u, al bijna donker, bereikte ik dan mijn einddoel van die dag.
Overnachting in Corrour Bothy
Zo te zien hadden ook anderen het plan opgevat om in Corrour Bothy te blijven overnachten: er stonden een aantal rugzakken en wandelstokken buiten. Ik naar binnen en wat blijkt: de hele hut ligt al vol, iedereen al languit in de slaapzak. Toch wilde ik er natuurlijk nog bij, want een hele nacht buiten was geen alternatief. Gelukkig had ik maar weinig ruimte nodig. Doordat ik geen slaapzak en matje bij me had was liggen toch al geen optie. Een hoekje om te kunnen zitten op mijn zitmatje lukte nog net, helaas in een hoek die blijkbaar door een aantal lieden wordt aangezien voor het urinoir. Het stonk er dan ook vreselijk naar pis! Maar goed, ik had weinig keus. (Zie over dit verschijnsel ook het artikel: ‘Kamperen en trekken in de winterse Cairngorms’ van Joeri van der Kloet, ook op deze site). Nog even snel iets eetbaars uit mijn rugzaak gehaald, een droog hemd aangetrokken (had ik wel aan gedacht om mee te nemen!), mijn rugzak als rugsteun, en ik was zo’n beetje klaar voor de nacht. Mijn schoenen konden wel uit dacht ik, maar daar kwam ik snel van terug toen ik voelde hoeveel kou de stenen vloer opgaf. Dat zou heel snel koude voeten worden. Dus maar snel die natte schoenen maar weer aan over mijn natte sokken. Op die manier heb ik die nacht toch geen koude voeten gekregen, dat viel me mee. Wat ik wel kreeg was een koud hoofd en daardoor realiseerde ik me goed dat een mens veel warmte kwijtraakt via zijn hoofd, vooral wanneer daar, zoals in mijn geval, geen haar meer op groeit. Ik zat dus al gauw met mijn muts op en snapte nu ook goed waarom mensen vroeger, zittend slapend in hun bedstee, altijd een slaapmuts op hadden. Kamperen & trekken in de winterse Cairngorms...
 Corrour Bothy
|
Het werd door de ongemakkelijke positie waarin ik me bevond niet echt een comfortabele nacht en er leek geen eind aan te komen. Echt slapen heb ik niet gedaan, afgezien van zo nu en dan wat wegdommelen. Aanvankelijk kon ik nog wel iets in de hut vaag onderscheiden, maar op een gegeven moment was het pikdonker. Later kwam er echter een beetje maanlicht door het enige kleine raampje naar binnen en nog weer later heb ik het weer langzaam dag zien worden.
Bij het krieken van de dag
Toen het om 05.15 u al aardig licht was geworden, had ik er behoorlijk genoeg van en vond ik dat een nette tijd om met goed fatsoen het pandje weer te gaan verlaten. Het plan was om buiten eerst even te gaan ontbijten en dan maar te gaan lopen. Ik had ’s nachts bedacht om in ieder geval nog te proberen op de Devil’s Point te komen, want daar zat ik nu al vlak naast. Hoe dat met het lopen in mijn natte sokken en schoenen zou gaan, zou ik dan wel weer zien! Ik vond het toch ook zonde, om zo vlakbij deze Munro, deze niet te proberen en rechtstreeks naar de jeugdherberg terug te gaan. Het ontbijt buiten de bothy zat er echter niet meteen in, want meteen buiten de deur werd ik weer belaagd door de midges. Ik heb zo goed en kwaad als dat ging nog mijn ochtendplas kunnen doen, en daarbij toch wel de nodige midge-beten op strategische plekken opgelopen (later weinig last van gehad gelukkig). Dat gedaan zijnde ben ik zo snel mogelijk het pad naar boven opgelopen, me onderweg nog wat fatsoenlijker aankledend, in de hoop hogerop van de midges verlost te zijn. Dat was gelukkig zo, dus zag ik mezelf om 06.30 u op de rand naar het plateau dan toch aan mijn zondagse ontbijt met brood, tomaat en ei en zelfs, zij het koude, oploskoffie. Het beloofde weer een mooie dag te worden, wel een beetje heiig, maar rondom mij zag ik allemaal Munrotoppen en aan de overkant van de Lairig Ghru kwam net de zon boven de bergen, in dit geval Carn a’Mhaim, uit. Fantastisch! Ik voelde me de koning te rijk!
Alweer Munro’s!!
Na het ontbijt was het nog maar een klein stukje naar de top van Devil’s Point, dus het lukte nog best om die Munro ook weer op mijn lijstje te kunnen afvinken. Boven op Devil’s Point kon ik ook nog goed de top van de naastgelegen Munro, Cairn Toul, en daarachter Sgor an Lochain Uaine duidelijk zien, dus dat werd toch wel erg verleidelijk om ook nog te proberen. Intussen had ik nog geen last van mijn natte voeten, dus het was het proberen waard. Op weg naar de top van Cairn Toul begon deze echter al behoorlijk in de wolken verstopt te raken, maar daar laat je je dan niet meer door weerhouden. Gewoon jammer en pech. Na de top was het weer even zakken en kwam ik weer onder het inmiddels ontstane wolkendek terecht. Om over Sgor an Lochain Uaine te komen moest ik weer de wolken in. Ik had dan onderweg wel niet veel bijzonders gezien, maar ook deze Munro’s kon ik dan toch maar weer afstrepen! Na Sgor an Lochain Uaine had ik in deze regio geen bereikbare andere Munro’s meer te zoeken, dus werd het tijd om op de terugweg te gaan. Vanaf waar ik me nu bevond, was het het meest logische om weer via Braeriach te gaan lopen en de route te volgen via welke ik gisteren de heenweg had genomen.
 Cairn Toul en Sgor an Lochain Uaine , gezien vanaf Devil’s Point
|
|