|
The Angel’s Peak
Waarom vertel ik dat? Wel, twee dagen later was het een stralende, zonnige zondagmorgen en beklommen we met Lucy Braeriach. In de Lairig Ghru zagen we de steile rotswanden aan weerszijden, dit in tegenstelling tot twee dagen ervoor toen we hier vanwege dichte mist het gevoel hadden door een lange, donkere tunnel te lopen. De cairn van Braeriach bood een geweldig uitzicht, net als nu. En in de verte lonkte . . jawel . . . Cairn Toul. Dus togen Patrick en Igor op weg om te ontdekken wat we twee dagen tevoren helaas allemaal hadden gemist, maar ik bleef bij Lucy. Onderweg moesten ze nog over een aardige bult, Sgor an Lochain Uaine (1258 m), the peak of the little green loch, een hemels meertje hoog in de bergkom. Enfin, tot mijn grote frustratie werd deze Angel’s Peak bij hermetingen opgewaardeerd tot een heuse Munro! Je kunt het als een straf opvatten dat je bij je vrouw blijft, maar ik zie het - nu na jaren – als een beloning, omdat ik nog eens terug moest om mij missie te voltooien.
Vijf jaar later, 7 augustus 2001, was het zover! Maar de weergoden staken er voor de tweede maal een stokje voor. Op die laatste dag van onze zomervakantie was het zo’n verschrikkelijk slecht weer dat een poging vanaf Feshie over de uitgestrekte moerasvlakte van de Moine Mhor onbegonnen werk was en zeker onverantwoord in dat angstaanjagende onweer.
En nu - driemaal is scheepsrecht - slaag ik eindelijk. Het is de moeite meer dan waard: prachtig weer, de steile noordelijke kommen vol sneeuw en rondom de Cairngormtoppen die we allemaal hebben bedwongen. Section 9 completed! .
Cairn Toul
Via de South Top van Cairn Toul keren we terug van dit meest afgelegen punt van de dag, We zijn al bijna zes uur onderweg, maar hebben gelukkig de meeste klimmeters achter de rug. Bij de steile afdaling door Coire Odhar naar de beroemde Corrour Bothy kan ik me nog haarscherp de plek herinneren waar we acht jaar daarvoor tijdens onze beklimming naar Cairn Toul een jongeman met zijn vader tegenkwamen. Ze hadden de Devil’s Point al beklommen en waren, net als wij nu, op weg naar de bothy waar ze overnachtten. Die vader en zoon waren ongeveer even oud als wij nu. L’histoire se repète . Hoewel Patrick en ik niet de enige klimmende zoon en vader zijn, beschouw ik ons toch als een zeldzaam stel bergbeklimmers, zeker als Nederlanders in de Highlands.
In het dal
Bij de bothy is het aangenaam druk; er hangen klimmers rond ‘van overal en ver weg’ en er is zelfs een Poolse student. We kletsen wat en nemen twintig minuten rust. Ik drink een beetje, maar iets eetbaars naar binnen werken lukt niet. Dan maar op weg naar de laatste hindernis: het acht kilometer lange pad aan de oostzijde van de River Dee. In een woord verschrikkelijk. Maar zelfs dat heeft zijn eigen charme. Het terrein is niet belangrijk, maar wel het feit dat je loopt. En wat zegt de filosoof:
Lopen is iets kinderlijks en primitiefs. Dat is volgens mij het aantrekkelijke eraan. Je werpt alle ketenen der beschaving af. Terwijl je aan het lopen bent, ga je terug naar de oertijd. (Joe Henderson)
Het stippellijn-op-de-kaart pad is door allerlei noodgedwongen omwegen zeker tien kilometer. Het is eigenlijk nergens een pad, slechts een verzameling punten van wanhopige voetafdrukken, meestal vervaagd in de natte turf, op kilometers onherbergzaam terrein.
Na dertig kilometer is de pijp leeg. De beentjes weigeren. 'Als je nu gaat rusten, kom je voorlopig niet meer rechtop . . het is nog maar een half uur . . . slechts twee kilometer . . . daarachter ligt ons tentje' , spreekt Patrick me vaderlijk moed in. OK, doorgaan dan maar. Tien minuten later echter, de tent in zicht, wil geen van beide voetjes meer voor de ander. De benen worden zo slap dat ze elastisch onder het gewicht zodanig doorbuigen dat effen later mijn achterste zich als vanzelf op het pad bevindt. Druk telefonisch overleg tussen de bovenkamer en de rest: 'Bekijk het maar... we zijn even uit de running... los het probleem maar zelf op.'
Automatisch maak ik de strakke heupband van de rugzak los en ook de broekgesp, zodat de volle voorraadkamer opgelucht kan uitbuiken. Wat een bevrijdend gevoel. En dan ga ik langzaam van mijn stokje, achterover op de rugzak, hoofd tegen een rotsblok, helemaal van de wereld. Een heel ver 'Pap, paaaap' doet me ontwaken. Patrick blijkt me wel tien keer te hebben toegeroepen. Hij is erg ongerust en denkt dat ik een lichte hartaanval heb gehad. Dat kan natuurlijk iedereen overkomen; zeker na een zware tocht op deze plek: OS kaart 43 – 000897!
Gelukkig kan ik Patrick enigszins gerust stellen. Ik laat me voor elke zware klimvakantie door de dokter onderzoeken en die heeft me nog altijd kerngezond verklaard. Ik weet zeker dat mijn obstipatie de boosdoener is. Klimvriend en bijna-dokter Frank Toonen zal later verklaren dat dit samen met te geringe energievoorziening inderdaad de oorzaak moet zijn. Waarschijnlijk was deze fysieke man-met-de-hamer ingreep noodzakelijk om me even helemaal te laten ontspannen. Nog geen minuut later voel ik eindelijk de langverwachte aandrang. Meteen gaat vlak naast ‘het pad’ de broek omlaag en doet de ‘grote ontstopper’ zijn werk. Tjonge, wat een bevrijding.
Ogenblikkelijk werkt de telefooncentrale weer op volle toeren: 'Eten en drinken.' De supermarkt gaat open en alle heerlijks laat zich nu smakelijk verorberen. Een kwartier later ziet de wereld er, bij de ondergaande zon, geheel anders uit. Martin is weer boven jan en snelt op het einde van de tocht weer als vanouds naar zijn slaapmatje in de hei.
Voorbij de uitersten van vermoeidheid en onrust vinden we misschien een mate van rust en kracht waarvan we het bestaan zelfs nooit hebben vermoed, bronnen van kracht die nooit zijn aangesproken omdat we nooit door de versperring heen zijn gebroken. (William James, filosoof)
Het feit dat ik drie akelige jeukbulten heb opgelopen van een steekvlieg en, onvermijdelijk, weer twee teken hebben moeten verwijderen -hoe komt zo’n beestje op de eikel terecht- maakt het medische dossier van deze faintastic walk volledig. Na deze wederwaardigheden verfris ik me als een voldane Adam in de koude Allt an t-Seilich, dan verorberen we ieder een heerlijke ‘trog’ ham, kaas en prei van 900 kilocalorieën en slapen ongestoord bijna de klok rond. Het afgepeigerde en door een jeukbult ontsierde gezicht doet me denken aan een anekdote na een andere zware tocht:
Martin:
| |
'Mijn hoofd is net zo lelijk als de voeten van Huub.' |
|
Lucy:
| |
'Maar die kan daar nog sokken over aantrekken.' |
|
Patrick:
| |
'Waarom denk je dat pap een balaclava heeft gekocht.' |
|
(Statistieken: geklommen 1600 m – gelopen 32 km – 10 uur)
Naar het volgende deel: De Heuvel van de Vioolspeler...
|