|
Sgurr nan Ceathreamhnan
Vanaf An Socach moeten we eerst door typisch boggy munroterrein naar de bealach tussen de tweede en derde munro. Vandaar is het vier kilometer pal noord over de hooggelegen graat naar de tweede en meest verafgelegen munro. Hoe ik er uiteindelijk in geslaagd ben, weet ik niet. Maar op een soort tweede adem en met de hulp van Patrick die een gedeelte van mijn bagage overneemt, bereiken we toch Mullach na Dheiragain - de berg van de torenvalken. Bij aankomst hang ik over mijn stokken net niet te kotsen. Toch geeft het bereiken van dit verste punt, zij het laat in de middag, me enige hoop op een goede afloop. Het uitzicht over al die verre toppen die we jaren geleden hebben beklommen, is overweldigend en leidt even af van de vermoeidheid. Even pauze en dan dezelfde afstand over die eindeloze graat weer terug.
 Sgurr nan Ceathreamhnan & 3 miles van zijn noordgraat, gezien vanaf Mullach na Dheiragain
|
Naarmate we de bealach weer naderen zinkt de moed me in de schoenen vanwege het uitzicht op de komende laatste beklimming: nog eens 250 meter omhoog over een steeds steiler wordende graat. Het aantal stappen achtereen wordt hier steeds kleiner. Het allerlaatste restje energie wordt uit mijn lijf geperst. Ik vorder stapje voor stapje. Tien omhoog, effen rust. Tenslotte vijf stapje, rust. Drie omhoog, rust. Steeds langere rustpauzes. Op mijn ‘derde adem’, bijna strompelend en 'completely knackered' bereiken we de top van Sgurr nan Ceathreamhnan 1151m, the peak of the quarters. Zijn dat de windstreken? Voor de derde keer vandaag zijg ik bij een cairn neer. Patrick neemt een foto. Later thuis zal ik ervan schrikken: daar ligt zo ongeveer een dooie. Het uitzicht schijnt ook hier overweldigend te zijn. Althans volgens mijn klimpartner. Ik kan me er niet veel van herinneren.
 Mullach Fraoch-Choire (1102 m) en A'Chralaig (1120 m) vanaf oostgraat van Sgurr nan Ceathreamhnan
|
Nu hoeven we alleen nog maar af te dalen. Eindeloos dalen. Duizend meter naar beneden. Spekgladde mos- en grashellingen. Kuilen en gaten. Schuivend over puin. Pijnlijke knieën. Automatismen. Afgesloten van de wereld om ons heen. Je bent oud en je wilt wat.
Allt Beithe Youth Hostel
Voorbij negenen worden we in de jeugdherberg hartelijk verwelkomd door de warden Ramon uit Tenerife en zijn vriendin Monica uit Cordoba. Wat een afgelegen plek. En ook nog zonder telefoon. Als er wat gebeurt duurt het vele uren voordat er iemand in de bewoonde wereld hulp kan gaan halen.
Patrick moet nog gaan koken. Je moet hier alle eetgerei zelf meebrengen en alle afval weer mee terugnemen. Er is slechts een andere gast aanwezig: Bob Taylor. Volgens eigen zeggen munroist nummer 2000-zoveel. Helaas heb ik hem in de lijst op de SMC website nergens kunnen vinden. Na het eten de luxe van slapen met zijn drieën op een kamertje met veertien bedden. Het enige wat nu nog tegenzit is de stank. Een onbeschrijflijke zweetlucht, zo herkenbaar in vele hutten waar water om je te wassen schaars is of helemaal niet voorhanden. Er wordt slechts zelden gelucht. In de Alpen niet omdat het er ‘s nachts op grote hoogte te koud is en hier in Munrovia niet omdat iedereen die verdomde midges buiten wil houden.
 Allt Beithe Youth Hostel vanaf de brug over de River Affric
|
Al eerder vertoond: weer slapen we bijna de klok rond. Bob is intussen al vertrokken. De stank die ons gisteravond nog de adem benam, is verdwenen. Althans we ruiken niets vreemds meer. Een mens went aan alles. Totdat je naar buiten gaat voor: oxygen - zuivere zuurstof - fuel injection. Het wordt bijna middag voordat we op ons dooie akkertje teruglopen naar Cluanie Inn. Drie uur later zitten we daar aan twee pints cola en een bord vol warme scones met jam.
Dit munrojaar heeft me twaalf nieuwe beklimmingen gebracht, vier met Pasen en acht nu. Patrick deed het geweldig met tweeënveertig nieuwe! Hiervan negenentwintig met Pasen en dertien nu. Onze totalen: Patrick 247 - nog 37 te gaan. Martin 242 - nog 42 te gaan.
|