| Je bent hier: |
Home > Natuur > Toeren op de boomloze Shetlands |
Geen boom te zien, wel veel schapen en papegaaiduikers. En op de meeste plaatsen hoor je alleen het geluid van de zee en de wind. Eilandenspecialist Toon Fey bezocht de Shetlandeilanden voor het eerst in zijn leven –om ze meteen op te nemen in zijn top vijf.
Bij de autoverhuur op Sumburgh Airport word ik opgewacht door een man die, aan z’n kleding te zien, bij het naderen van het vliegtuig zijn visboot eventjes heeft verruild voor een loket In een gloed nieuw autootje volg ik de enige weg naar het noorden. Bij de eerste de beste parkeerplaats stap ik uit om te kijken, te ruiken en te luisteren. Het landschap is leeg en boomloos. Glooiende schapenweiden worden abrupt afgebroken door steile kliffen. In de baai onder mij liggen een paar vissersboten voor anker. Ik hoor het geblaat van een schaap, het geruis van golven die schuimend op de donkere rotsen breken, het jubelen van een wulp en de wind in het gras. Verder niets. Lerwick is een klein, uit grijze stenen opgebouwd havenplaatsje en behalve de hoofdstad ook het culturele en sociale centrum van de Shetlandeilanden. Er liggen een paar jachten, maar de meeste boten behoren tot het no-nonsensetype: moderne trawlers, de ferry die via de Orkney-eilanden naar Schotland vaart, de pont naar het tegenover het stadje gelegen eiland Bressay en een indrukwekkende reddingsboot. De zeewaardigheid straalt er vanaf en maakt duidelijk dat de zee hier niet met zich laat spotten.
Bonxie-Iand
Ik besluit mijn verkenning in het uiterste zuiden te beginnen en rij naar Sumburgh Head. Lopend, op weg naar de vuurtoren, kom ik een paar vogelaars tegen, die gewapend met verrekijkers en telescopen de zee onder hen in de gaten houden. Ik kijk over de rand en zie in een oogopslag een paar pagina's uit de vogelgids tot leven komen. Jan-van-Genten zweven majestueus onder me door, Papegaaiduikers zwenken met driftige vleugelslagen om de rotsen, een kolonie Zeealken bezet als een groep Pinguďns een rots. Om de paar minuten komt er een Grote Jager langs, routinematig aangevallen door andere vogels die deze rover liever zien gaan dan komen.
En dan de verschillende meeuwensoorten. Het is tijd om de vogelgids te voorschijn te halen en mijn geheugen weer op te frissen en ook de Engelse namen even te repeteren. Bijna alle vogels hebben ook een Shetlandse naam, één ervan onthoud ik moeiteloos. De Grote Jager wordt hier Bonxie genoemd. Omdat de Grote Jager wereldwijd een zeldzame vogel is die nergens anders zo veel voorkomt als op de Shetlands, noemt de eilandengroep zich soms met zekere trots ‘Land of the Bonxies’. Engelse en Nederlandse vogelnamen...
Er zijn van die ogenblikken waarop ik me alleen maar gelukkig kan prijzen. Hier tuf ik over een prachtig weggetje langs de westkant van Mainland, zoals het grootste eiland heet. Dat is de schoonheid van reizen: alles is nieuw. Het weer, waarvoor ik gewaarschuwd was, is stralend. De zang van Leeuweriken dwarrelt constant door de autoramen naar binnen. De oceaan is groen, in de baaien is het water zo helder dat je hier en daar tot op de bodem kunt kijken. De brekende golven vormen een grillig wit spoor langs de rotskust. Een zeldzame mengeling van lieflijkheid en ruigheid.
Parelduikers in de kijker
De afwezigheid van bomen bevalt me uitstekend en heeft als voordeel dat de andere elementen in het landschap beter tot hun recht komen: de schapen als witte stipjes in de verte, een stenen muurtje dat achter een heuvel verdwijnt, een eenzame boerderij, een wit strandje waar geen mens is te zien. Bij Loch of Spiggie, een prachtig meer op de zuidpunt, stop ik om naar een paar Parelduikers te kijken. Ze laten zich van zo dichtbij bekijken dat ze beeldvullend in mijn kijker verschijnen
De volgende dagen probeer ik zo veel mogelijk van het hoofdeiland te zien. Bij Brae zie ik de kop van een Zeehond door het water glijden. Pas als het dier op een rots klautert, zie ik dat ik me heb vergist. Het is een Otter - mijn eerste. Bij Eshanes, helemaal aan de westkust, maak ik een lange wandeling langs de oceaan. Een echt pad is het niet, op Shetlandeilanden kun je eigenlijk overal lopen. Op sommige plekken perst de oceaandeining zich in een blowhole en spuit het water als een geiser omhoog. Door de verrekijker tuur ik de oceaan af in de hoop een walvis of dolfijnen te zien, maar nee. Dan wordt het tijd voor de andere eilanden.
Yell is zo mogelijk nog dunner bevolkt dan Mainland, en bestaat voor een groot deel uit heidevelden en hoogveen. Industriële veenafgraving komt hier niet voor, maar voor eigen gebruik mogen de bewoners op kleine schaal turfsteken. Hier en daar ligt het in keurige stapeltjes te drogen. Yell is ook de plek waar de kans om Otters te zien het grootst is; hier is het materiaal voor heel wat documentaires gefilmd. Yell biedt de Otters dan ook ideale omstandigheden. De ondiepe baaien zijn visrijk en worden omringd door een lage, veenachtige kust waarin ze makkelijk holen kunnen graven. Overal stromen beekjes met zoet water -noodzakelijk om te kunnen drinken en te wassen- de zee in. En bovenal: op het dunbevolkte Yell vindt de tamelijk schuwe Otter de rust die hij zoekt.
Net overkokende melk
De volgende dag laat ik Yell voor wat het is en neem ik het robuuste pontje naar het noordelijke eiland Unst, begeleid door duikende Jan-van-Genten en vlak boven de golven scherende Zeekoeten. De kliffen van het natuurreservaat Hermaness bereiken hier en daar een hoogte van 170 meter. De waarschuwingen om bij harde wind en regen niet te dicht bij de rand te komen, lijken me niet overbodig. En het dragen van een regenpak maakt het er alleen maar gevaarlijker op lees ik: de kans om weg te glijden is dan nog groter.
In de loop van de middag slaat het weer om. Het groen van de oceaan wordt grijs, de golven worden met de minuut hoger. De oceaan verandert in een vijandige wereld. De golven beuken op de rotsen, het teruglopende schuim lijkt op overkokende melk. Maar de vogels vliegen gewoon door.
Stad voor zeevogels
Mijn laatste bestemming is een plek die ook de meest verwende vogelaars nog in verrukking brengt. Het onbewoonde eilandje Noss, ten westen van Bressay. Een jonge bioloog verzorgt de overtocht, bezoekers brengt hij binnen een paar minuten in een stampende rubberboot naar het onbewoonde eiland.
Na een uurtje lopen bereik ik de andere kant van het eilandje. De geur van vogelpoep wordt steeds doordringender en het gekrijs neemt toe. Ik kom bij de plek die wel Seabird City wordt genoemd. De getallen doen inderdaad aan een stad denken: hier broeden 45.000 paar Alken, 7.000 paar Jan-van-Genten, 6.000 paar Noordse Stormvogels, enzovoort, enzovoort.
Op de steile klifwanden is geen plek te vinden die onbenut is gelaten. De Papegaaiduikers vlak voor me op het randje van het klif zijn zo tam dat ik geen telelens nodig heb om ze goed te kunnen fotograferen. Het geduld dat mijn vriend Frans Lanting heeft, heb ik nooit kunnen opbrengen en daarom ben ik ook geen dierenfotograaf. Maar hier ben ik het even wel. Ik raak door het dolle heen en pas een paar uur en heel veel filmrolletjes later hou ik ermee op. Wanneer ik de volgende dag in het vliegtuigje naar Aberdeen wegsuf, hoor ik het nog steeds: de wind, de golven, de vogelgeluiden. Ik ruik nog steeds de geur van versgerookte vis en de kachels waarin turf wordt gestookt, en ik zie nog steeds de eenzame vuurtorens aan de rand van de onmetelijke oceaan.
|