| Je bent hier: |
Home > Wandelen > Auld Reekie - Van dorp naar rafelrand |
Een van de groenste stadwandelingen in Europa voert dwars door Edinburgh. Van oude dorpskernen loop je via neoklassieke wijken naar een entrepotdok. Lunch in een museum, een borrel in een oude havenkroeg.
 Dean Village met Water of Leith (Foto: Paul Hesp ©) |
Het Water of Leith heeft zijn oorsprong in de Pentland Hills en mondt na een kleine dertig kilometer bij Leith uit in de Noordzee. Het verval is aan de bovenloop behoorlijk groot, en daarom stond er in de beekvallei al in de zeventiende eeuw een groot aantal watermolens die voor de markt in het nabijgelegen Edinburgh produceerden. Toen de stoommachine zijn intrede deed groeiden de molens uit tot fabrieken, en er kwam een spoorlijntje langs het water naar Balerno dat tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw gebruikt werd.
De Italiaans klinkende plaatsnaam Balerno is een verengelsing van een Gaelische plaatsnaam voor een dorp of hoeve waar, alnaargelang de taalkundige interpretatie, sleedoorn of gerst groeide. Balerno is nu een buitenwijk van Edinburgh, het station heeft plaatsgemaakt voor een school, en een groot deel van het spoorwegtracé is wandel- en fietspad. Hoewel je op gezette afstanden afbraakrijpe fabrieken langs je route vindt en de drukke Lanark Road net boven de diep ingesneden vallei loopt, is de sfeer bepaald landelijk. Buurten als Currie Kirk en Colinton hebben nog een echt dorpskarakter. Hellingen met dicht loofbos flankeren het water; soms vang je een glimp van open velden op. Otter, ijsvogel en waterspreeuw zijn hier gezien, wat betekent dat het beekje redelijk gezond is. De op manshoogte in de boomtakken hangende slierten plastic maken wel duidelijk dat de beschaving niet ver weg is - en dat de normaal kniediepe beek aardig te keer kan gaan.
Minder romantisch
In Slateford kruis je de Lanark Road en verlaat je de vallei. Aan de overkant van de weg is het Water of Leith Heritage Centre, een leuk bezoekerscentrum waar je naar hartelust met water kunt knoeien. Buiten zijn bulldozers bezig de route, die nu een tijdlang een drukke weg volgt, langs het water te verlengen. Direct achter het bezoekerscentrum zie je de viaducten van het Union Canal en een spoorlijn. Het kanaal werd begin negentiende eeuw aangelegd en verbond Edinburgh met Falkirk, waar weer een aansluiting met het Forth and Clyde kanaal naar Glasgow was. Het is allang niet meer in gebruik en kan door wegen- en woningbouw niet meer over zijn hele lengte gevolgd worden, maar de rest van het tracé is gerestaureerd. Je kunt een stuk langs het jaagpad door vanaf het bezoekerscentrum de Lanark Road richting centrum te volgen en direct voorbij het viaduct een trapje links naar boven te nemen.
De route voert nu even door een minder romantische omgeving, langs de prikkeldraadhekken van de Saughton gevangenis. Maar dan kom je langs de oude volmolen Stenhouse Mill aan de Gorgie Road, en eenmaal over die weg loop je alweer door groene buurten. Via het Murrayfield stadion, een aardige voorbeeld van vroeg-moderne Britse architectuur, met die typische ijzeren kruiskozijntjes, bereik je de Corstorphine Road, waar je weer een echt dal in loopt. Bij de National Gallery of Modern Art, een half uur lopen van het stadscentrum, is de binnenbocht van de rivier ’s zomers een ware jungle. Een trap omhoog brengt je naar de achteringang van het museum. Toegang is gratis en de cafetaria met terras is een prima plek voor de middagpauze.
New Town
Vanaf het museum volgt het water een tijdje de rand van de New Town. In de achttiende eeuw begon het oude Edinburgh, gebouwd rond de kasteelheuvel, uit zijn voegen te barsten. De bijnaam van Edinburgh, ‘Auld Reekie’ (ouwe stinkerd) dateert misschien uit die tijd: de stad was mijlenver te ruiken. De eenwording met Engeland maakte de oude stadswallen overbodig en zorgde in de steden voor een boom. Rond 1760 begon ten noorden van het oude centrum de systematische aanleg van nieuwe wijken.
De New Town, in neoklassieke stijl gebouwd, doet een beetje aan Amsterdam Nieuw Zuid denken: ruim opgezet, stilistisch coherent, voor hun tijd uiterst geriefelijke woningen, voornaam maar niet protserig. Een buurt voor dames en heren die weten wat ze waard zijn, maar daar niet mee te koop lopen. Natuurlijk kun je ze ook anders beoordelen: het hier gangbare accent wordt wel vergeleken met ‘een krabbelende muis in een leeg geldkistje’. De New Town is een afzonderlijke wandeling waard, maar langs het water vind je ook sporen van die tijd. In Dean Village, bijvoorbeeld, deed de burgerij zich in het neo-romeinse tempeltje van St. Bernard’s Well te goed aan bronwater (er sijpelt nog steeds water uit de helling en over het pad; erg gezond zal het niet zijn). Vlakbij staan de enorme bogen van Dean Bridge, ontworpen door Thomas Telford, een typische man van de Industriële Revolutie: een steenhouwer die een van de grootste weg- en waterbouwingenieurs van zijn tijd werd.
De klassieke wereld was niet alleen een inspiratiebron voor de architecten, maar ook voor de filosofen en sociale wetenschappers van de Schotse Verlichting, die naar de grondslagen voor rationele, geordende maatschappij zochten. Als we de Encyclopaedia Britannica mogen geloven was Oxford destijds in vergelijking met Edinburgh of Glasgow een intellectuele woestijn. De bekendste vertegenwoordiger van de Verlichting, Adam Smith, kwam pas op latere leeftijd naar Edinburgh, na in Glasgow professor voor Moral Philosophy geweest te zijn en een paar jaar privé-onderwijs aan de hertog van Buccleugh gegeven te hebben. In de Schotse hoofdstad was hij hoofdambtenaar voor zoutaccijns en douanezaken. Kortom, de profeet van het vrije ondernemerschap had daar in de praktijk nooit iets mee te maken – of toch: als douanier stond hij de uitoefening ervan beroepshalve in de weg.
Rafelrand
Volgens Smith’s Theory of Moral Sentiments zal de worsteling tussen hartstocht en objectiviteit uiteindelijk resulteren in een wereldeconomie waarin alle ondernemers op elkaar aangewezen zijn (ja, ècht). In Leith, de haven van Edinburgh, heeft Smith discipelen die zijn ideeën over de relatie tussen moraal en vrijhandel op hun eigen manier verder ontwikkeld hebben: ‘On the issue of drugs, we wir classical liberals, opposed tae state intervention in any form.’ Aldus Renton, de held van Irvine Welsh’s roman Trainspotting, die bij een deal zijn vrienden, geregelde klanten van de Saughton gevangenis, £ 16,000 lichter maakt. In Leith worden uitdrukkingen als ‘classical liberals’ bij mijn weten zelden gebruikt. Maar overigens is het beeld van de onderkant van de Schotse maatschappij onaangenaam realistisch. Voor Welsh is Leith ‘a place ay dispossessed white trash in a trash country filled ay dispossessed white trash’, waar het leven van de heren der schepping, vaak al twee generaties werkloos, draait rond drank, drugs, Hibs en Hearts (Hibernians en Heart of Midlothian) en de Keltische stammenoorlogen tussen de supporters van deze voetbalclubs. Hun vrouwen en vriendinnen worden, om een uitdrukking van de dichter Lucebert te gebruiken, ‘met jong volgestopt’ en moeten zich verder maar zien te redden.
Leith was tot 1920 een onafhankelijke gemeente, hoewel de twee steden al in de loop van de negentiende eeuw aanelkaar waren gegroeid. In de buurt Canonmills vind je de eerste tekenen van Leith’s economische verleden. Maar de fabriekswoningen in The Colonies waar je langsloopt zijn allang door yups overgenomen – je woont hier nog geen vijf minuten van Edinburgh’s prachtige botanische tuin (ook gratis toegankelijk, en zeker een halve dag waard). Voorbij de Inverleith Road begint de rafelrand. Bij Redbrae’s Weir – een stuw die vroeger waterkracht voor de molens in Bonnington leverde - loop je langs de pilaren van een verdwenen spoorwegviaduct. Aan de overkant worden fabrieken gesloopt. Stroomafwaarts van het Junction Street viaduct wordt het water breder en loop je langs leegstaande pakhuizen. Schuiten konden vroeger tot hier komen, er lagen ophaalbruggen. Hier en daar nieuwbouw, alweer een rommeltje.
De wandeling eindigt bij het oude douanekantoor aan de Commercial Street brug. Langs de straat een eindeloze wand van voormalige entrepotgebouwen. Heeft Adam Smith hier ambtshalve rondgelopen onder z’n bepoeierde pruik? Buiten de brug ligt de oude havenkom, met één afgedankt marinescheepje; aan de horizon een woud van kranen. Helaas kun je niet naar het lossen en laden gaan kijken. Maar aan het stukje kade buiten het omheinde havenareaal is genoeg horeca om je te troosten. De kade heet, zoals het hoort, Shore. Toen ik voor het eerst op de kruising van Shore en Commercial Street stond had ik een déjà vu: zo zien Amsterdams Westelijke Eilanden er uit in mijn dromen.
|